top of page

Woordenlijst

Gemarkeerde woorden vind je ergens anders in deze woordenlijst!

A

Ademhalingsnoodsyndroom  - een ziekte waarbij de longen onvoldoende capaciteit hebben om de organen in je lichaam van voldoende zuurstof te voorzien.

Bron: Pramanik AK. Respiratory Distress Syndrome. In: Rosenkrantz T (ed.). Medscape. 2020. Beschikbaar via: https://emedicine.medscape.com/article/976034-overview#a4 [Geraadpleegd op 3 september 2022]

Aneuploïdie - abnormale hoeveelheid chromosomen in een cel. Dat kunnen meer (bijv. trisomie = 3 chromosomen) of minder (bijv. monosomie = slechts 1 chromosoom) zijn dan de normale 2 chromosomen, in één of meer chromosomenparen.

 

Bron: O’Connor C. Chromosmal Abnormalities: Aneuploidies. Nature Education. 2008;1(1):172.

Antilichaam - antilichamen worden door je immuuncellen geproduceerd als reactie op antigenen om te vechten tegen ziekteverwekkers. Ze kunnen zich binden aan het antigeen en het markeren als een vreemde stof. Het immuunsysteem kan dan alle ziekteverwekkers die dit antigeen dragen herkennen en vernietigen. Elk antilichaam is specifiek voor een antigeen: het principe is vergelijkbaar met een slot en sleutel. Elke sleutel (antilichaam) past maar op één specifiek slot (antigeen).

Bron: Ghose T. What are antibodies. Beschikbaar via: https://www.livescience.com/antibodies.html [Geraadpleegd op 30 november 2022]

Antigeen - een antigeen is een klein deeltje van een ziekteverwekker dat het immuunsysteem van je lichaam op gang brengt om tegen de ziekteverwekker te vechten.

Antigenen kunnen afkomstig zijn van gifstoffen, chemicaliën, bacteriën, virussen en andere stoffen die van buiten het lichaam komen. Deze deeltjes worden door het lichaam verwerkt. Een specifiek deel van de ziekteverwekker (het antigeen) wordt dan door het immuunsysteem herkend met behulp van antilichamen. Veel ziekteverwekkers hebben meerdere antigenen, zodat het lichaam vaak meerdere doelen heeft om tegen te vechten.

Bron: National Cancer Institute (NCI). Antibody. Beschikbaar via: https://www.cancer.gov/publications/dictionaries/cancer-terms/def/antibody [Geraadpleegd op 30 november 2022]

Anti-oxidant - dit is een stof die voorkomt dat er zogenaamde "vrije radicalen" gemaakt worden, die structuren in je cellen kunnen beschadigen. Deze vrije radicalen vormen zich tijdens complexe chemische processen in cellen die belangrijk zijn voor het maken van energie. Ze kunnen ook ontstaan wanneer je cellen beschadigd zijn, bijvoorbeeld door straling van de zon. Je lichaam produceert zelf anti-oxidanten, en je vindt ze bijvoorbeeld als vitamine A, C en E in fruit en groenten.

 

Bron: Alberts B, Johnson A, Lewis J et al. Molecular Biology of the Cell. 6th ed. New York: Garland Science; 2015.

Apoptose – dit is het woord voor de zogenaamde "geprogrammeerde celdood". Dit betekent dat een cel sterft volgens een aantal regels. De cel wordt netjes uit elkaar gehaald op basis van een paar standaard stappen. Apoptose is erg belangrijk tijdens de ontwikkeling van een embryo en foetus, omdat veel cellen maar voor beperkte tijd een functie hebben. Het is ook belangrijk in veel processen bij kinderen en volwassenen, bijvoorbeeld voor het opruimen van beschadigde cellen en het voorkomen van kanker.

 

Bron: Alberts B, Johnson A, Lewis J et al. Molecular Biology of the Cell. 4th ed. New York: Garland Science; 2002

Autosomale chromosomen - alle chromosomen die niet de geslachtschromosomen zijn. Dat zijn dus chromosomenparen 1 tot en met 22. 

 

Bron: Alberts B, Johnson A, Lewis J et al. Molecular Biology of the Cell. 6th ed. New York: Garland Science; 2015.

A

B

Baarmoeder - een orgaan in de bekkenholte van de meeste mensen met een vrouwelijk voortplantingssysteem. Dit orgaan is verbonden met de vagina via het onderste, smalste gedeelte: de cervix of baarmoederhals. De baarmoeder heeft een sterke, gespierde wand die aan de binnenkant bekleed is met een dun en glad laagje cellen (het endometrium). Het gros van het endometrium wordt tijdens de menstruatie afgestoten en wordt daarna weer terug opgebouwd. Het endometrium is ook de laag waarin een bevrucht eitje zich innesteld na ongeveer een week zwangerschap. Tijdens de zwangerschap groeit de foetus in een zak gevuld met vocht (de vruchtzak) in de baarmoeder. De gespierde wand van de baarmoeder knijpt samen tijdens de menstruatie, wat je kunt voelen als krampen, en zorgt ook voor de weeën tijdens het baren. 

Bron: Marieb EN, Hoehn K. Human Anatomy & Physiology. 10th ed. Essex, UK: Pearson Education Limited; 2016.

Baarmoederhals of cervix - het laagste, smalste gedeelte van de baarmoeder, dat de baarmoeder en de vagina verbindt. De baarmoederhals wordt ook wel het geboortekanaal genoemd, omdat de baby door dit gedeelte de baarmoeder verlaat. 

Bron: Paulsen F, Waschke J (eds.). Internal Organs. 16th ed. Munich, Germany: Elsevier; 2018.

B

C

Celdeling  - tijdens het celdelingsproces worden de chromosomen in de cel gedupliceerd, zodat elke dochtercel na het hele proces een complete set chromosomen krijgt. Met een hoge leeftijd van de moeder is er een hoger aantal celdelingsfouten, waardoor de chromosomen niet goed worden verdeeld over de twee dochtercellen. Dit kan resulteren in monosomie en trisomie.

Bron: Alberts B, Johnson A, Lewis J et al. Molecular Biology of the Cell. 6th ed. New York: Garland Science; 2015.

Cervix - zie baarmoederhals

Chromosoom - je gehele genetische code is opgedeeld in meerdere afzonderlijke DNA moleculen, welke elk één chromosoom vormen door zich heel strak op te wikkelen en eiwitten aan te trekken die deze vorm helpen vasthouden. Dat scheelt veel plaats vergeleken met als je DNA uitgerekt in je cellen zou drijven (dan is het namelijk zo'n twee meter lang). Ook maakt het de celkern (waar het DNA verblijft) een stuk opgeruimder. Elke cel bevat 46 chromosomen geordend in paren - één chromosoom van een paar komt van je moeder, het andere van je vader. De meeste van je chromosomen (22 paar) zijn zogeheten autosomale chromosomen; het laatste paar zijn de geslachtschromosomen

Bron: Alberts B, Johnson A, Lewis J et al. Molecular Biology of the Cell. 4th ed. New York: Garland Science; 2002. en Queremel Milani DA, Tadi P. Genetics, Chromosome Abnormalities. In: StatPearls. Treasure Island, USA: StatPearls Publishing; 2022.

Chromosoomafwijking - elke structurele of numerieke afwijking van één of meerdere chromosomen. Dit kan een aneuploïdie zijn, een gebroken chromosoom, chromosomen die grote delen verloren of uitgewisseld hebben, polyploïdie (waarbij een cel meer dan twee kopieën van elk chromosoom heeft, bijvoorbeeld vier of acht kopieën van elk chromosoom) en meer. Deze problemen kunnen in elk chromosoom optreden, inclusief de geslachtschromosomen. Iemand kan geboren worden met een chromosoomafwijking. Dat noemen we dan een aangeboren afwijking. In dat geval zijn de meeste cellen van die persoon aangedaan. In andere gevallen ontwikkelt iemand de afwijking op latere leeftijd. Dit wordt een verworven afwijking genoemd. In dat geval is er maar een klein deel van de cellen aangedaan. Wat het effect van een gegeven afwijking is, ligt aan welke cellen aangedaan zijn, hoeveel cellen er aangedaan zijn, en op welke manier. Dit verschilt enorm per geval. 

Bron: Queremel Milani DA, Tadi P. Genetics, Chromosome Abnormalities. In: StatPearls. Treasure Island, USA: StatPearls Publishing; 2022.


 

C

D

DNA (deoxyribonucleïnezuur) - de stof in bijna elke lichaamscel waarin onze genetische code ligt opgeslagen. Elk DNA-molecuul bestaat uit twee lange strengen, die om elkaar heen draaien tot een spiraalvormige structuur. Elke streng bestaat voornamelijk uit vier verschillende bouwstenen (adenine, guanine, cytosine en thymine), welke nucleotiden worden genoemd. Specifieke volgordes van deze bouwstenen laten de fabriekjes in de cel precies weten welke eiwitten er gemaakt moeten worden. Verschillen in het DNA van mensen komt door verschillen in de volgorde van de nucleotiden - en dat leidt tot verschillen in uiterlijk of hoe iemands lichaam functioneert. 

Bron: Alberts B, Johnson A, Lewis J et al. Molecular Biology of the Cell. 4th ed. New York: Garland Science; 2002.

 

D

E

Echografie (echo)  - een techniek die geluidsgolven en bijbehorende echo's gebruikt om de structuren binnenin het lichaam zichtbaar te maken. Voordat de echo gemaakt wordt, wordt er een (vaak koude) gel op je lichaam gesmeerd om de geluidsgolven beter te kunnen sturen. Dit verbetert de beeldkwaliteit. 

Bron: Morgan MA, Bell DJ. Ultrasound (introduction). Available from: https://radiopaedia.org/articles/32088 [Accessed September 3rd, 2022]

Eierstok of ovarium - de eierstokken zijn organen in de bekkenholte van de meeste mensen met een vrouwelijk voortplantingssysteem. Meestal is er ééntje aan beide kanten van de baarmoeder. Ze zijn allebei met de baarmoeder verbonden via een eileider. De eierstokken maken alleen eitjes aan wanneer je nog een foetus in de baarmoeder bent - dat betekent dat je alle eitjes die je ooit zult hebben, al hebt tegen de tijd dat je geboren wordt. Deze eitjes rijpen in je eierstokken naarmate je ouder wordt. De eierstokken maken ook hormonen aan zoals oestrogeen en progesteron, die het uiterlijk en de functie van je lichaam beïnvloeden. 

Bron: Marieb EN, Hoehn K. Human Anatomy & Physiology. 10th ed. Essex, UK: Pearson Education Limited; 2016.

Eileider - een van de twee buizen waarlangs de eitjes, geproduceerd door de eierstokken, naar de baarmoeder reizen.

Bron: Marieb EN, Hoehn K. Human Anatomy & Physiology. 10th ed. Essex, UK: Pearson Education Limited; 2016.

Eisprong of ovulatie - het proces waarin een rijp eitje uit zijn follikel komt onder de invloed van luteïniserend hormoon. Het is dan klaar voor bevruchting.

Bron: Marieb EN, Hoehn K. Human Anatomy & Physiology. 10th ed. Essex, UK: Pearson Education Limited; 2016.

Embryo - de juiste medische term voor een baby vanaf de bevruchting tot en met week 8 (maand 2) van de zwangerschap. 

Bron: Moore KL, Persaud TVN, Torchia MG. The Developing Human. 11th ed. Philadelphia, USA: Elsevier; 2020.

Extravilleuze trofoblastcellen  - cellen afkomstig van de placenta die de bloedvaten in de baarmoeder van vorm doen veranderen tijdens de zwangerschap. 

Bron: Moore KL, Persaud TVN, Torchia MG. The Developing Human. 11th ed. Philadelphia, USA: Elsevier; 2020. 

E

F

Foetus - de correcte medische term voor een groeiende baby vanaf week 9 van de zwangerschap tot de geboorte.

Bron: Moore KL, Persaud TVN, Torchia MG. The Developing Human. 11th ed. Philadelphia, USA: Elsevier; 2020. 

Follikel - de meeste mensen die zwanger kunnen worden hebben 300,000 tot 400,000 kleine vochtblaasjes in hun eierstokken, waarin onrijpe eitjes zitten. Dit zijn follikels. Een follikel bevat ook voedingsstoffen om de groei en rijping van een eitje te ondersteunen. Tijdens een typische menstruatiecyclus laat één follikel een rijp eitje vrij, die dan kan worden bevrucht. 

Bron: McGee EA, Hsueh AJW. Initial and Cyclic Recruitment of Ovarian Follicles. Endocrine Reviews. 2000;21(2):200-214. DOI: 10.1210/edrv.21.2.0394

F

G

Nog geen termen!

G

H

Hormoon - een molecuul dat door een lichaamscel wordt gebruik om signalen via de bloedbaan te sturen naar andere cellen die verder weg liggen. Er zijn verschillende soorten hormonen. Oestrogeen en testosteron zijn bijvoorbeeld vetachtige hormonen die van cholesterol gemaakt worden. Dit worden steroïdhormonen genoemd. Andere hormonen, zoals adrenaline, worden gemaakt van de bouwstenen van eitwitten (aminozuren genoemd). Verschillende hormonen kunnen verschillende effecten hebben op verschillende cellen, of zelfs op dezelfde cel in andere omstandigheden. 

Bron: Alberts B, Johnson A, Lewis J et al. Molecular Biology of the Cell. 6th ed. New York: Garland Science; 2015 en Molnar C, Gair J. Concepts of Biology – 1st Canadian Edition. BCcampus; 2015. Available from: https://opentextbc.ca/biology/

H

I

Nog geen termen!

I

J

Nog geen termen!

J

K

Nog geen termen!

K

L

Luteïniserend hormoon - een hormoon in het menselijk lichaam dat bij vrouwen de eisprong veroorzaakt wanneer het aanwezig is in een hoge concentratie. Het is ook belangrijk om een vroege zwangerschap levensvatbaar te houden (het voorkomt namelijk de menstruatie). Dit hormoon wordt vaak afgekort als LH. 

Bron: Marieb EN. Human Anatomy & Physiology. 5th ed. San Fransisco, USA: Benjamin Cummings; 2001. 

L

M

Moederkoek - zie placenta

M

N

NIPT - NIPT staat voor niet-invasieve prenatale test. Het is een bloedonderzoek dat uitgevoerd kan worden tijdens de zwangerschap om te testen op chromosomale afwijkingen, zonder dat de baby gevaar loopt. Het onderzoek is afhankelijk van DNA uit cellen van de placenta, welke in de meeste gevallen identiek zijn aan cellen van de baby. Dit DNA komt terecht in de bloedbaan van de zwangere. 

Bron: Goldwaser T, Klugman S. Cell-free DNA for the detection of fetal aneuploidy. Fertility and Sterility. 2018;109(2):195-200. DOI: 10.1016/j.fertnstert.2017.12.019

N

O

Ovulatie - zie eisprong.

O

P

Placenta of moederkoek - de placenta ontwikkelt zich tussen de vruchtwaterzak waarin de baby drijft, en het baarmoederslijmvlies. De placenta bevat bloedvaten die vanuit de bloedsomloop van de zwangere voedingsstoffen en zuurstof naar de baby brengen, en afval weghalen uit de bloedsomloop van de baby. Meestal beval je vanzelf ook van de placenta, nadat je bevallen bent van de baby. 

Bron: Moore KL, Persaud TVN, Torchia MG. The Developing Human. 11th ed. Philadelphia, USA: Elsevier; 2020. 

Placenta-aandoeningen - dit omvat een aantal aandoeningen van de placenta tijdens de zwangerschap. Die kunnen bijvoorbeeld leiden tot zwangerschapsvergiftiging, vroeggeboorte, te vroeg breken van het water of abruptio placentae (waarbij de placenta al loslaat van de wand van de baarmoeder voordat de geboorte begint). Er zijn helaas geen behandelingen mogelijk. De baby wordt meestal zo snel mogelijk ter wereld gezet. 

Bron: Parker SE, Werler MM. Epidemiology of ischemic placental disease: a focus on preterm gestations. Semin Perinatol. 2014;38(3):133-138. DOI: 10.1053/j.semperi.2014.03.004. en Kosińska-Kaczyńska K. Placental Syndromes—A New Paradigm in Perinatology. International Journal of Environmental Research and Public Health. 2022; 19(12):7392. DOI: 10.3390/ijerph19127392

P

Q

Nog geen termen!

Q

R

Rhesus - de rhesusfactor is een klein eiwit (een antigeen) aan het oppervlak van rode bloedcellen. Het kan aanwezig zijn in verschillende variaties, maar de meest belangrijke variatie in de context van zwangerschap is de rhesus-D-factor, Rh(D). Als je het Rh(D) antigeen hebt, heb je een positieve bloedgroep. Als je dat niet hebt, dan heb je een negatieve bloedgroep. Dit wordt aangegeven met een plusje of een minnetje bij je bloedgroep. Bijvoorbeeld, als je bloedgroep A hebt en je hebt de Rh(D) factor, dan heb je bloedgroep A+ (uitgesproken als "A-positief"). Normaal gesproken maakt het niet uit of je wel of geen Rh(D) hebt. Maar als jij een negatieve bloedgroep hebt terwijl je zwanger bent van een baby met een positieve bloedgroep, dan ga je antilichamen maken tegen Rh(D). Dit is meestal geen probleem tijdens je eerste zwangerschap met een Rh(D)-positieve baby. Als je daarna zwanger wordt met een tweede Rh(D)-positieve baby, kunnen jouw antilichamen de rode bloedcellen van je baby gaan aanvallen, wat de baby heel ziek kan maken. 

Bron: Costumbrado J, Mansour T, Ghassemzadeh S. Rh Incompatibility. In: StatPearls. Treasure Island, USA: StatPearls Publishing; 2022.

R

S

Sequencing (van DNA) - een techniek die gebruikt wordt voor het vaststellen van de volgorde (sequentie) van de bouwstenen in DNA (je genetische code) dat uit een monster van je bloed of weefsel is gehaald. De wetenschapper die de techniek gebruikt kan dan afwijkingen in je genen vinden die mogelijk een ziekte veroorzaken. Als je gehele genetische code (het genoom) wordt bekeken, wordt de techniek "whole genome sequencing" genoemd. 

Bron: Heather JM, Chain B. The sequence of sequencers: The history of sequencing DNA. Genomics. 2016;107(1):1-8. DOI: 10.1016/j.ygeno.2015.11.003

S

T

Trimester  - een periode van drie maanden, ongeveer een derde van een normale zwangerschap. Het eerste trimester loopt tot 12 weken zwangerschap. Het tweede trimester loopt van 12 tot 27 weken. Het derde trimester loopt van 28 tot 40 weken. Sommige autoriteiten houden iets andere grenzen aan. 

Bron: Moore KL, Persaud TVN, Torchia MG. The Developing Human. 11th ed. Philadelphia, USA: Elsevier; 2020. 

Trombose - dit is een aandoening waarbij bloed gaat stollen en daardoor bloedvaten verstopt. Veelvoorkomende symptomen zijn pijn, zwelling, roodheid, warmte en gevoelloosheid van het aangedane lichaamsdeel, vaak de benen. Dit kan gebeuren in allerlei omstandigheden en komt ook vaker voor tijdens de zwangerschap. Het is belangrijk dat je contact opneemt met een arts als je deze symptomen krijgt, omdat de gevolgen van trombose levensgevaarlijk kunnen zijn (zoals moeite met ademhalen of een beroerte). 

Bron: Marieb EN. Human Anatomy & Physiology. 5th ed. San Fransisco, USA: Benjamin Cummings; 2001. 

T

U

Nog geen termen!

U

V

Vruchtwaterpunctie  - een prenatale test (dat wil zeggen, voor de geboorte, dus tijdens de zwangerschap) waarbij vruchtwater wordt afgezogen door middel van een holle naald in de baarmoeder

Vlokkentest  - een prenataal onderzoek (dat wil zeggen, voor de geboorte, dus tijdens de zwangerschap) waarbij villi (vingervormig weefsel) uit de placenta worden verwijderd, waarna het weefsel wordt onderzocht op afwijkingen.

v

W

Nog geen termen!

W

X

/

X

Y

/

Y

Z

Nog geen termen!

Z

A

B

C

D

E

F

G

H

l

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X

Y

Z

bottom of page